Holocaust herdenking

De Talmud zegt:
een woord is één munt waard
Een stilte twee

En elke naam is een stilte 
een woord en nog 
een stilte waard

Vooraf, de stilte van verwachting
van hoop, de voorzetting
door generaties heen

Dan na de geboorte het woord: 
de klank die beeld en daden
hoorbaar maakt, de naam geraakt

En dan de stilte van het niet meer zijn 
woorden bij het afscheid
STIL, stil, stil gehoord

Tsja

Zo zou het moeten zijn
Mag het moeten zijn

Maar soms moeten namen 
juist opnieuw worden gehoord

om wat uit onze stad is opgehaald
afgevoerd, vervoerd en vermoord

En daarom zijn op onze Goudse straten 
in stilte, woord en Stolperstein

hun namen steeds opnieuw te horen
gaat geen woord of stilte verloren

Peter Noordhoek

Gedicht geschreven naar aanleiding van de Holocaust herdenking op 27 januari 2021

In het Houtmansplantsoen

Ik wil niet denken aan de broeders Houtman,
Of aan Oost Indie, en wat daarvan kwam.
Ik wil noten voelen in de regen,
Die het daverende groen bewegen.

Ik wil niet vrezen dat ik niet meer op sta,
Of hoe mijn hart stopt en de facto doodga.
Ik wil een vijver, en daar urenlang:
Een dansorkest met zwanenzang.

Ik wil hier zingen tot mijn laatste dagen.
Ik wil hier dansen tot aan mijn pensioen.
Ik wil bomen door muziek zien groeien
in het Houtmansplantsoen.

Ik wil niet schrijven aan een president,
Of een lofzang op een burgemeester.
Ik wil kijken naar een dirigent.
Ik wil horen tussen boom en heester.

Ik wil geen pretpark, bungjeejump of circus.
Ik wil een rondedans hier bij de tent
En op een klapstoel, naast een hibiscus,
Wil ik overvloed van elke band.

Ik wil hier zingen tot mijn laatste dagen,
Ik wil hier dansen tot aan mijn pensioen.
Ik wil bomen door muziek zien groeien,
In het Houtmansplantsoen.

Ze mogen banen, bonus, auto’s stelen.
Stuur de deurwaarder naar me toe.
Ondertussen klinken duizend kelen,
dan ren ik hierheen, weet niet sneller hoe.

En in de uren van mijn laatste dagen,
Dans ik, dement en naakt, rond in het groen.
Dan ga ik bomen tot de hemel jagen,
van het Houtmansplantsoen.

Joost Reichenbach

Enkel in Gouda

In de fragmenten van een nacht
Door de flarden van een vreemde stad
Bij het wachten op een vliegveld
In de schaduw van verbaal geweld
Waar ik ook ben, waar ik ook ga 
Enkel in Gouda ben ik thuis 
Want dat is waar jij bent 
Dan ben ik bij jou

In de steden van ons land
In de glazen torens aan haar rand
Wetend dat daar niets enkel fout is
Maar ook niets enkel goed	
Dan denk ik: ik weet waar ik naar terugga
Enkel in Gouda ben ik thuis
Want dat is waar jij bent
Daar ben ik van jou

In het vouwen van een trui
In het aaien van onze kat
In het even een boekje kopen bij Verkaaik
Het soort boekje waar jij van houdt
Ja, enkel in Gouda ben ik thuis
Want dat is waar ik op je wacht
Daar ben ik er voor jou

Toch?

Wee de liefde die van een dichter houdt
Weet je wel zeker of je van mij
of van mijn woorden houdt?

Is het niet zo dat je nooit zeker weet
of het niet steeds alleen om mij, 
mijn woorden en mijn ego gaat?

Inderdaad. Maar de werkelijkheid is ook 
dat ik zelf dat lang niet altijd weet 
of wil

En dat enkel daarom al, ik altijd
terug naar Gouda en mijn liefste ga
En dat jij dat, nog altijd
in liefde gebeuren laat

Gedicht voorgedragen in de finale van de

Stadsdichtersverkiezingen Gouda 2020

als bijzondere opdracht: “Gouda in enkelvoud”

Dichter op Gouda

Louter lichtende lijnen
van stadhuis naar godshuis
van schouwburg fel gekleurd reikend naar bioscoop
van cultuur naar cultuur
van mijn
naar ons thuis


Er loopt geen grens
tussen bibliotheek en Vromanplein
tussen stad en water
tussen stad en weideland
tussen mijn en jouw stad

Een stad om te blijven
nergens een scheidslijn
grenzeloos

Dichter op Gouda kan ik niet zijn

De blonde Sint Jan

Ik staar naar een foto 
Waarop de blonde Sint Jan 
Haar haren van links
Naar rechts zwiept,
Raak het Stadhuis even aan 
Dat tussen de bedrijven door 
Knipoogt naar de kijker.

De Markt lacht breed 
Met hagelwitte tanden
Om al mijn gestaar en geprevel 
Mijn obligate prijzerij

En toch is er een Stad om van te houden 
In volle weemoed naar
Te verlangen

Als je op vakantie denkt even 
Weg te zijn maar toch in 
Heimwee zit gevangen

Joost Reichenbach

Ben jij dit, mijn stadje

Ben jij dit, mijn stadje? 
Loop ik echt
Van de Wilhelminastraat de Markt op 
In opmaat tot thuiskomst?

Ben jij dit, mijn stadje?
Ben jij bij dit wenden der nacht
Als enige in staat om mijn looptocht van liefde 
Te bedekken met stilte?

Ben jij dit, mijn stadje?
Stuur jij nu een veger van Cyclus 
De straat op om even
Geluiden te maken omdat ik wat reuring behoef?

Ben jij dit mijn stadje?
Laat jij het Stadhuis met zijn vuurrode luiken
Even plechtstatig neigen naar waar ik
Mijn voetstappen zo schielijk zacht neerzet?

Ben jij dit mijn stadje?
Weet dan dat ik thuis in de nazit 
Met twee glazen whiskey 
Gelukzalig weet
Dat jij mij weer gidste en rust gaf

Joost Reichenbach