Overblijfsels

Waren het redders die 
een hagedis bevrijden wilden?
Pubers die hun drang tot slopen
niet bedwingen konden?
Klassiekers die een gifgroen ding
in ’t Hout niet verdragen konden?
Of was het erger? Een vorm van
het kwaad dat Vroman 
bijna deed verdwijnen?

Gelukkig. Naar blijkt wisten 
de sukkels slechts de 
sokkel te kraken
Niet het beeld zelf

Vroman zelf wist goed
hoe wankel elke sokkel is
Zocht niet de hoogte
maar de grond en
vond tussen de stenen
van het Jappenkamp een hagedis
en beschreef hoe tijdelijk alles is: 

“Wij zijn verschijnselen
van zo korte duur
dat wij verdwijnselen zijn
van de natuur”

Tussen de stenen werden
Hij en de hagedis 
knipoogvrienden
warmtezoekers
liefde vinders
alles van korte duur

Als we dan in beelden
deze overblijfsels hebben
Laat die dan staan
Voor langer duur


Peter Noordhoek

Over de brug

Ook wij zijn aan het moorden
Op zijn zachtst gezegd met woorden
eerst in het hoofd, vervolgens op twitter of erger

Kunnen we nog zijn als in een kindergeheim
Steentjes gooiend in het water
Geen verleden maar: als dan en: later
Ik aan jouw kant, jij aan die van mij
Woorden van haat er
drijven er steeds minder voorbij

En dan bouwen we samen een brug
Dan ben ik de pijler en jij
de sterke rug
En dan spelen we dat er hier
onder ons geen kloof zal zijn maar een rivier
En dat dan de nevel boven de rivier langzaam optrekt
En dat dan het water een helder inzicht opwekt
Helderder dan het water uit de diepste bron
En dat dan God, alle sterren, de maan en de zon
boven en onder onze brug
gewoon van ons samen zijn


En dan ben ik die duif van honderd pond
en dan land ik op jouw rug!

Dichtbij Leo Vroman

Ach lief, hoe ver heeft de dood je meegenomen?
Jij bent altijd dichtbij

In woorden die al zijn uitgesproken
En jij herkauwt in fruitig vers
In de taal van 70 jaar weg
Muggen, larfjes en de tor
Die zijn bips parmantig poetst
Terwijl jij ze innemend beloert

Ach lief, hoe dichtbij

Jouw bijna honderdjarige hand
Op mijn bijna honderdjarige huid
Streelt de dood voor ons uit
Als de verloofde brieven van jaren
Die je zo hard drukt tegen je borst
Dat mijn hart hetzelfde ritme bonst

Ach lief, hoe ver is de dood?
Bij mij
Om dichtbij te zijn

Ik dichtbij
Wij dichtbijen
Leo dichtbijt

Een werkwoord
zonder verleden tijd

Ruud Broekhuizen

Leo Vroman – negentig

Dag meneer Vroman, mag ik Leo zeggen?
Ooit reed je in een taxi uit de Krugerlaan
en bent al zwervend naar de States gegaan
om in het oor van Tineke jouw woorden neer te leggen.

Ons bloedgestroom, ons hartgeklop bekeek je effectief,
en in je handen leefden steeds het tekenen en schrijven.
In Engels of in Nederlands bezong je onze lijven:
wat ben je mooi from tip to toe, wat heb ik jullie lief.

De tijd, de ruimte die ons scheidt, het valt ons soms wat zwaar.
Door jou wordt dit mooi opgelost: in woorden ben je hier.
Maar wij, wat moeten wij zonder je lieve lach beginnen?

Jij streelde altijd schrijvend huid en haar;
mogen wij jou voor al dat minnen dwars door het papier
één ogenblik hartstochtelijk bloedstollend terugbeminnen?


Frouwkje Zwaneburg