Dichter op Gouda

Louter lichtende lijnen
van stadhuis naar godshuis
van schouwburg fel gekleurd reikend naar bioscoop
van cultuur naar cultuur
van mijn
naar ons thuis


Er loopt geen grens
tussen bibliotheek en Vromanplein
tussen stad en water
tussen stad en weideland
tussen mijn en jouw stad

Een stad om te blijven
nergens een scheidslijn
grenzeloos

Dichter op Gouda kan ik niet zijn

De donkere kamer van een gedicht

Voor  de fotograaf die schijn vertaalt naar  werkelijkheid
en andersom
die met de ogen bijna dicht
-soms zelf nog gist naar wat het is-
in een flits
een trits  gevoelens weet vast te leggen
die zonder woorden beeldend weet te zeggen
dat mijn verbeelding achterblijft

Voor jou is dit gedicht
ik beschrijf je subjectief en onbelicht
vanuit een  ander perspectief

en  neem je mee in mijn gedachten
haal je behoedzaam door een badje
tot er een sterk zwart wit verschijnt
een trotse glimlach die beklijft
die als mijn schijn bedriegt
en alles grijs en donker blijft
wat kleur geeft aan mijn dag

De donkere kamer van een gedicht is voorgedragen in de Agnietenkapel  bij de opening van de expositie van de Goudse Fotoclub op 9 oktober 2017. De Goudse Fotoclub bestond in 2017 70 jaar.

Gouda bij nacht

Van bovenaf ziet de stad er niet anders uit
Nietsvermoedende mensen
komend en gaand wie weet waarheen
de Goudse contouren en grenzen
onmiskenbaar herkenbaar
maar vanbinnen broeit er iets

Het is nog licht. De avond valt voor het eerst weer helder
en zacht
Een enkel wolkje aan de lucht
Een wethouder fietst
eenzaam weg van het Huis van de Stad

Iets grijpt ons dan naar de keel we weten niet wat

Van bovenaf ziet alles er nog hetzelfde uit
Vanbinnen broeit er iets
Het gaat over grenzen
Het gaat over politiek
De teerling wordt geworpen
De nacht valt radeloos over onze stad

Duizend en één

Ik kwam door de tuin;
jij wist dat ik zou komen
ik volgde door de schemering langs eeuwenoude bomen
het dichtbegroeide pad

Jij wachtte in je stoel
de tuindeuren als bladzijden wijd opengeslagen
het was alsof je in je eigen bundel zat
en toen je sprak dansten de woorden
als nachtvlinders rond het kaarsenlicht
hun tere vleugels openvouwend tot duizend en één gedicht
woorden zo jong, zo oud en ook zo pijnlijk mooi vertrouwd

Tussen de schuifdeuren van de stad

Gooi je haar nu maar los
en stort je in de armen van de stad!
laat je inspireren en beleven
en zorgeloos zinken
in deze lange zaterdag
van een verloving
met adembenemende kleinkunstenaars
volg op blote voeten
hun verleidelijke pad

Omhels met zachte armen
dansende dichters
hartstochtelijke harpistes
en serieuze cellistes

Sluit heel even je ogen
laat je ontmoeten
ontroeren en ontvoeren
door jongens van de straat naar achter de kerk

Laat je genieten
tussen de schuifdeuren van de stad
op een zolder, een terras en in het zachte gras
of in een kamer en suite
en weet dan

hier komen zingende springende stadskinderen van

Over de brug

Ook wij zijn aan het moorden
Op zijn zachtst gezegd met woorden
eerst in het hoofd, vervolgens op twitter of erger

Kunnen we nog zijn als in een kindergeheim
Steentjes gooiend in het water
Geen verleden maar: als dan en: later
Ik aan jouw kant, jij aan die van mij
Woorden van haat er
drijven er steeds minder voorbij

En dan bouwen we samen een brug
Dan ben ik de pijler en jij
de sterke rug
En dan spelen we dat er hier
onder ons geen kloof zal zijn maar een rivier
En dat dan de nevel boven de rivier langzaam optrekt
En dat dan het water een helder inzicht opwekt
Helderder dan het water uit de diepste bron
En dat dan God, alle sterren, de maan en de zon
boven en onder onze brug
gewoon van ons samen zijn


En dan ben ik die duif van honderd pond
en dan land ik op jouw rug!

Groene Hart

Hier worden wij verwacht. Kwaal en klacht zijn niet aan tijd gebonden
ze ontstaan uit het onschuldige niets; vaak beginnend op de dag
en doorwoekerend in de nacht

Hier regeren de traagheid van minuten en de snelheid van het handelen
over het lijdzame wachten, de verborgen angst, de afgewende blik
Alleen een kind zal schreeuwend aan de arm van zijn moeder trekken
om haar naar buiten te dwingen. Het heeft gelijk
Het wil weten of de zon nog opkomt, de vogel nog vliegt, de bloesem nog valt

Dit is het Groene Hart van het leven, het helen, de geboorte
soms ook van het allerlaatste uur
van een warm bloedrood sijpelen op een koud smetteloos wit
van het stelpen en van het zorgzame toedekken

De dag breekt aan, de schoonmaker begint aan zijn taak
Hij zingt op het ritme van zijn bewegingen
Hij zingt en hij wist de angst van de nacht weg. Hij zingt en hij groet

Het betert, het klaart snel op

Lentegezicht

De stad toont ineens een ander gezicht
we komen voorzichtig uit de winterstand
we begroeten elkaar met een lach
en een traan, als na een lang weerzien
onze blik weer naar buiten gericht

De stad toont ineens een ander geluid
vogels kwinkeleren en fluiten hun verhalen
ze twitteren over korte broeken en rokjes
en blote voeten in sandalen
het carillon zet in met een lentelied

De stad geeft ineens een ander gevoel
de dagen dragen de belofte van het licht
stralend over bruggen, sloten en verlaten
de nieuwe dag voelt niet verplicht
maar als een geloof
om nu een nieuw venster te openen
Om nu te beginnen aan een nieuw gedicht

Het zou zomaar zomer kunnen worden

Hollandsche IJssel

Terwijl ik hier stroom en
de weilanden hierachter nog loeiend groen zijn
de sloten daartussen nog kwakend kroos zijn
de reiger op de dijk lijkt te twijfelen of hij zal dalen

Terwijl ik hier stroom en
de regen niet hoost, het water niet stijgt
de nacht toch verdwijnt, de zon alweer schijnt
de bodem niet verdrast of vermoerast
het veen niet inklinkt of oxideert tot wat het ooit was

Terwijl ik hier stroom en jij
aan een dis van zuurstof en klei,
je stadsgezicht weergaloos laat spiegelen in mij
je verwonderend over het komen en gaan van het tij

Terwijl ik hier stroom
langs natuurlijke oevers en Schielands hoge dijk
het hoogteverschil ongelijk maar toch in een evenwicht
als een weegschaal met aan weerszij het juiste gewicht
en het koud zorgvuldig wordt ingewisseld voor goud

daalt de reiger precies in dit ogenblik

Binnen stadsmuren

Er nestelt zich een denkbeeld in mijn hoofd
wij zijn een moederloos gezin en ieder gaat
zonder enig beraad zijn eigen gang

Het bad stroomt langzaam over want ik ben
de vollopende kuip weer straal vergeten
mijn zussen sussen zachtjes mijn geweten
en scheuren vlug het druipnatte behang
in lange stroken van de schimmelige muren

Een broer speelt argeloos in de achtertuin
klimt in de boomhut; de eik wordt echter met geweld
gegrepen in de volle kruin en bruusk geveld door vader
Die heeft aan kinderspel een broertje dood

De eerste scheur loopt als een gebarsten ader
-nog zonder erg- dwars door de gevel van ons huis

Een vallend boomdeel vermorzelt glas in lood
breekt ruw door het timpaan wij zien het lijdzaam aan
en zwijgen stom omwille van de buren

Behouden wij het recht om uit te dagen
kunnen we de buit nog vangen en verdelen
en kan het ons een ziertje schelen
dat iemand hier om iets of iemand anders geeft?

Een witte lelie bloeit behoedzaam binnen onze muren