Duizend en één

Ik kwam door de tuin;
jij wist dat ik zou komen
ik volgde door de schemering langs eeuwenoude bomen
het dichtbegroeide pad

Jij wachtte in je stoel
de tuindeuren als bladzijden wijd opengeslagen
het was alsof je in je eigen bundel zat
en toen je sprak dansten de woorden
als nachtvlinders rond het kaarsenlicht
hun tere vleugels openvouwend tot duizend en één gedicht
woorden zo jong, zo oud en ook zo pijnlijk mooi vertrouwd