Mannen mogen Melden

Kleding bedekt veel
De pijnlijke arm
onder de lange mouw
De beurse plek
onder de losse rok
Bewegen blijft lastig

Kleding bedekt veel
Make-up minder
Poeders doen wel wat
Lippenstift niets
Wimpers laten los
De mond blijft strak

Haren helpen ook
zolang ze lang zijn
Het gezicht kan even
worden afgewend
Maar ogen helpen niets
voor wie kan zien

Willen wij mannen het wel zien?
Melden wij wanneer nodig?
Voor de vrouw van de vriend?
Voor de vriendin van de coach?
Voor de gedoofde vlam 
van een al te sterke schoft?

Ook mannen kennen angst
Maar dat zou niet de angst 
om te melden mogen zijn

Peter Noordhoek

Gedicht bij ‘Orange the World 2020’

Internationale campagne

tegen Geweld tegen Vrouwen

op verzoek van Soroptimisten en Zonta Gouda

Enkel in Gouda

In de fragmenten van een nacht
Door de flarden van een vreemde stad
Bij het wachten op een vliegveld
In de schaduw van verbaal geweld
Waar ik ook ben, waar ik ook ga 
Enkel in Gouda ben ik thuis 
Want dat is waar jij bent 
Dan ben ik bij jou

In de steden van ons land
In de glazen torens aan haar rand
Wetend dat daar niets enkel fout is
Maar ook niets enkel goed	
Dan denk ik: ik weet waar ik naar terugga
Enkel in Gouda ben ik thuis
Want dat is waar jij bent
Daar ben ik van jou

In het vouwen van een trui
In het aaien van onze kat
In het even een boekje kopen bij Verkaaik
Het soort boekje waar jij van houdt
Ja, enkel in Gouda ben ik thuis
Want dat is waar ik op je wacht
Daar ben ik er voor jou

Toch?

Wee de liefde die van een dichter houdt
Weet je wel zeker of je van mij
of van mijn woorden houdt?

Is het niet zo dat je nooit zeker weet
of het niet steeds alleen om mij, 
mijn woorden en mijn ego gaat?

Inderdaad. Maar de werkelijkheid is ook 
dat ik zelf dat lang niet altijd weet 
of wil

En dat enkel daarom al, ik altijd
terug naar Gouda en mijn liefste ga
En dat jij dat, nog altijd
in liefde gebeuren laat

Gedicht voorgedragen in de finale van de

Stadsdichtersverkiezingen Gouda 2020

als bijzondere opdracht: “Gouda in enkelvoud”

Verpleegkunst

En ofschoon je nu naar huis zou gaan

jij zwijgend en onbekend
door de straten van de stad zou gaan
juist nu
de schimmen in mijn kamer
langer dreigen te worden
langer dan de schaduwen van een delier
mijn doodsangst pulseert
op het kunstmatig zoemen van mijn vitale signalen
ben je op zachte voeten teruggekomen
stem jij als een concertmeester het instrumentarium op elkaar af
leg je jouw hand heel even op de mijne
dan
kleurt het witter en helderder in mijn hoofd
tuimel ik terug op aarde

En als je dan weggaat
zal alles om mij heen lichter zijn
zal de pijn zachter voelen
zullen alle geluiden zingen als in een helend intermezzo
dan leg ik mijn hoofd op mijn armen en slaap

En als je dan morgen terugkomt
zal ik niet genezen maar veel beter zijn
dan zal ik je bij je mooiste naam noemen

Verpleegkunstenaar

Rafels van de ziel – Gouda bij kaarslicht

Als ik met mijn vingers 
langs de rafels van je ziel ga,
je raak op je aller teerst 
waar de wraak heerst
de wrok in zijn hok 
ongedurig stampt
en liefde verdampt. 
Zul je dan vechten?

Zal ik je stem herkennen
als ze overslaat
in geweld versmelt
en je ogen verstillen 
in spiegelloos hard 
zonder mededogen
voor de vijand.
Als ik dat kan zijn?

Kun je lopen langs de vlammen 
van het vroeger
en verscherfde dromen?
De rook opstoken
als ik schreeuw te stoppen, 
je genade geef.
Schop je dan nog na?

Rest er nog iets 
van een mens
als de messen vallen
het bloed wegspoelt
langs de verzoening,
Die zijn hand 
uitsteekt naar het verstand. 
Zou dat nog kunnen?

Als ik met mijn vingers
de rafels van je ziel raak 
wil je dan zoeken
naar het goede
mij optillen en zo ver 
dragen
tot onze lippen
elkaar in slaap raken. 
Wil je dat doen?

Ruud Broekhuizen

Leo Vroman – negentig

Dag meneer Vroman, mag ik Leo zeggen?
Ooit reed je in een taxi uit de Krugerlaan
en bent al zwervend naar de States gegaan
om in het oor van Tineke jouw woorden neer te leggen.

Ons bloedgestroom, ons hartgeklop bekeek je effectief,
en in je handen leefden steeds het tekenen en schrijven.
In Engels of in Nederlands bezong je onze lijven:
wat ben je mooi from tip to toe, wat heb ik jullie lief.

De tijd, de ruimte die ons scheidt, het valt ons soms wat zwaar.
Door jou wordt dit mooi opgelost: in woorden ben je hier.
Maar wij, wat moeten wij zonder je lieve lach beginnen?

Jij streelde altijd schrijvend huid en haar;
mogen wij jou voor al dat minnen dwars door het papier
één ogenblik hartstochtelijk bloedstollend terugbeminnen?


Frouwkje Zwaneburg