In het Houtmansplantsoen

Ik wil niet denken aan de broeders Houtman,
Of aan Oost Indie, en wat daarvan kwam.
Ik wil noten voelen in de regen,
Die het daverende groen bewegen.

Ik wil niet vrezen dat ik niet meer op sta,
Of hoe mijn hart stopt en de facto doodga.
Ik wil een vijver, en daar urenlang:
Een dansorkest met zwanenzang.

Ik wil hier zingen tot mijn laatste dagen.
Ik wil hier dansen tot aan mijn pensioen.
Ik wil bomen door muziek zien groeien
in het Houtmansplantsoen.

Ik wil niet schrijven aan een president,
Of een lofzang op een burgemeester.
Ik wil kijken naar een dirigent.
Ik wil horen tussen boom en heester.

Ik wil geen pretpark, bungjeejump of circus.
Ik wil een rondedans hier bij de tent
En op een klapstoel, naast een hibiscus,
Wil ik overvloed van elke band.

Ik wil hier zingen tot mijn laatste dagen,
Ik wil hier dansen tot aan mijn pensioen.
Ik wil bomen door muziek zien groeien,
In het Houtmansplantsoen.

Ze mogen banen, bonus, auto’s stelen.
Stuur de deurwaarder naar me toe.
Ondertussen klinken duizend kelen,
dan ren ik hierheen, weet niet sneller hoe.

En in de uren van mijn laatste dagen,
Dans ik, dement en naakt, rond in het groen.
Dan ga ik bomen tot de hemel jagen,
van het Houtmansplantsoen.

Joost Reichenbach

2019 Samen

We staan vanavond talloos samen.
Hoewel wij hier met velen zijn
Is er ruimte op dit plein,
Zonder dwang, of ‘ja en amen’.

Geef je buren nu een arm,
Alleen maar kijken houdt niet warm.
Want bij gezichten horen namen,
Sta niet naast, maar sta hier samen.

Haak alle lijven in elkaar,
En maak voor een keer een gebaar.
Omdat de mensheid zich moet schamen:

Er zijn kinderen zonder thuis,
Door domme bommen op een huis,
Zonder hoop op ooit nog samen

Gun een ander volk je hand,
Maak eens ruimte in een land
Dat zo een plein heeft, een stadhuis.
Met duizend lichtjes achter ramen,
Met een volk, dat nu roept:

Samen.

Pieter Stroop van Renen

2018 Waar poëzie niet praten mag

Ik ben dichter en mag spreken.
Hoewel onzichtbaar,
Hoort u alles wat ik wil.

Er zijn landen waar poëzie
Niet praten mag.
Waar dichters in de aanval gaan,
Met megafoon een handvol kopers
Van supermarkt of slagerij
Bedelven onder woorden,
Omdat verder in de stad
Macht en onrecht
Een homo of een lesbo
Het recht op warmen aan een kaars belet
En kassa tot kansel wordt gesmeed
Om te zeggen wat je redden kunt
Uit de puinhoop van een pennenlikker,
Bureaucraat, of president-proleet.

Dames-dichters:
Gouda’s Roze Stad omarmt
Met kaarsenarmen
Dennentakken,
Uw liefde voor elkaar,
Uw kracht van eigen woorden.

En als u ook maar eenmaal denkt
Aan verdrukte Braziliaans poëzie:
Ben ik groter dicht dan dichter
En heb ik alles wat ik wil.

Pieter Stroop van Renen

Dit gedicht is een ode aan de Braziliaanse, activistische poëzie-groep Slam das Minas, die in Brazilië strijdt voor LHBTI-gelijkheid.

Hoeveel gekken telt Gouda?

Hoeveel gekken telt Gouda.
Ik begin te tellen bij 1.
de burgemeester.
Maar een kromgebakken
zwerver scheldt me uit
Dat die en die nog gekker
Is en telt op kleine duimpjes verder.

2-ben jij met je maffe streken
3-je gedichten, die tellen voor twee
4-zoals je vroeger was
5-zoals je eindigt straks.

Heel Gouda telt nu mee
De burgemeester dirigeert de stoet
Van mafioze mafketels
die tellen wie gek genoeg
Is voor een lijst.

2001,
2002 en
2003

Alle getelde gekken
Moeten op de markt staan.
Met mutsen op,
toeters voor,
Ezelsoren,
Allemaal,allemaal!

een dichteres tilt haar paarse rokken op.
‘Ik heb er niks onder aan,
Tel me mee.’

60.001,
60.002 en
60.003

De markt staat vol en ik
Hang een lijst vanaf de Sint Jan,
tot de stenen van het plein.
Een kerk valt om.
Er rollen kazen over het plein.
We blijven tellen.

Snel, de maagd Marianka er nog op.
Want zo’n oranje jas
Dat kan niet meer,
En de bourgeousie van bunnik,
De hele familie, want die
Hebben zulk raar haar.

We juichen en we zingen
De lijst is compleet
En tot in Bergambacht klinkt
Ons volkslied

Zeventigduizend Goudsbegaafde Zotten
Zullen Zalig Zielsgelukkig Zwemmen
Zonder Zwembroek Zalig Zoutig Zwembad*

Op Zotte Zaterdag

Joost Reichenbach
*naar Urbanus van Anus

De blonde Sint Jan

Ik staar naar een foto
Waarop de blonde Sint Jan
Haar haren van links
Naar rechts zwiept,
Raak het Stadhuis even aan
Dat tussen de bedrijven door
Knipoogt naar de kijker.

De Markt lacht breed
Met hagelwitte tanden
Om al mijn gestaar en geprevel
Mijn obligate prijzerij

En toch is er een Stad om van te houden
In volle weemoed naar
Te verlangen

Als je op vakantie denkt even
Weg te zijn maar toch in
Heimwee zit gevangen

Joost Reichenbach

Ben jij dit, mijn stadje

Ben jij dit, mijn stadje?
Loop ik echt
Van de Wilhelminastraat de Markt op
In opmaat tot thuiskomst?

Ben jij dit, mijn stadje?
Ben jij bij dit wenden der nacht
Als enige in staat om mijn looptocht van liefde
Te bedekken met stilte?

Ben jij dit, mijn stadje?
Stuur jij nu een veger van Cyclus
De straat op om even
Geluiden te maken omdat ik wat reuring behoef?

Ben jij dit mijn stadje?
Laat jij het Stadhuis met zijn vuurrode luiken
Even plechtstatig neigen naar waar ik
Mijn voetstappen zo schielijk zacht neerzet?

Ben jij dit mijn stadje?
Weet dan dat ik thuis in de nazit
Met twee glazen whiskey
Gelukzalig weet
Dat jij mij weer gidste en rust gaf

Joost Reichenbach

Als ik weg zou gaan van hier

Als ik weg zou gaan uit Gouda
Zou de IJssel niet meer vloeien
Stopt het grazen van de koeien
Als ik weg zou gaan van hier

Als ik weg zou gaan uit Gouda
Zou de Waag het wegen laten
Zal het orgel niet meer praten
Als ik weg zou gaan van hier

Als ik weg zou gaan uit Gouda
Zou de kerk het glas ontberen
Zou geen trein meer arriveren
Als weg zou gaan van hier

Ik zou niet weten waar te schuilen
Zou me schamen voor mijn huilen
Als ik weg zou gaan van hier

Dus moet ik in Gouda blijven
Om de liefde te bedrijven
Om nog een gedicht te schrijven
En niet weg te gaan van hier

Joost Reichenbach