Oude boom

Ik had je zelf nog geplant, oude boom. 
Je tijd was gekomen. Ik haalde je om. 
Van je uiterste takjes tot het hart van je stam.
Ik ben al dagen bezig jou met de hand
in kleine stukjes te zagen.

Al verloor ik aan kracht en ben ik trager
dan vroeger; de jaren maakten mij taai. 
Laat de tijd aan mijn schenen zagen.
Ik ga gestaag door met jou te ontleden,
oude boom.

Jan Graafland

Midzomernacht

Het was aardedonker, maar wij waren vertrouwd met het park.
Wisten de paden. Kenden de bomen. Vonden de vijver.
Legden ons neer in het gras.

De grond was warm. De nacht was een deken waaronder
wij samen de liefde bedreven. De maansikkel hoog aan de hemel
een glimlach, geen mes nog.

Jan Graafland

Gewoon doorlopen

Niet omkijken nu. Gewoon doorlopen. Je voetstappen
horen weerklinken van de gevels. Dat gaat goed.
De uiterste brug over. De binnenstad in. En blijven doorlopen.
Nakijkers. Niet op letten. Onverslaanbaarheid veinzen.

Even stilstaan bij een foto in de etalage (de volkomen blik
van Salgado) mag wel. Maar nu weer doorlopen.
Fier rechtop aan de kroeg voorbijgaan.
Laten zien dat je het aankan; man alleen zijn.

Met je pijp in je mond. Rookwolken uitstotend
als een stoomtrein (ook van staal, en gitzwart geschilderd).
Geen acht slaan op de hond die toeschiet om te bijten,
haast de lijn breekt. Doodgewoon door blijven lopen.


Jan Graafland

Andermans

Klimop tegen de ruiten. Stof van jaren. Oude sporen van regen.
In de hoek van het venster zit een kruisspin gepropt.
Dit is mijn huis niet. Het meubilair staat mij tegen.
Andermans lepel voelt vreemd in mijn mond.

Hoe ik ook vocht, ik ben niet veranderd.
Niet deze kamer, de tochtige gang; ík breng in dit huis de leegte.
Stilte belaagt mij. Ik word er gek van. Ik wil lawaai. Waar zijn de kinderen?!
Ik verspeelde mijn grootste geluk, ben ik bang.

Jan Graafland