Van bovenaf ziet de stad er niet anders uit
Nietsvermoedende mensen
komend en gaand wie weet waarheen
de Goudse contouren en grenzen
onmiskenbaar herkenbaar
maar vanbinnen broeit er iets
Het is nog licht. De avond valt voor het eerst weer helder
en zacht
Een enkel wolkje aan de lucht
Een wethouder fietst
eenzaam weg van het Huis van de Stad
Iets grijpt ons dan naar de keel we weten niet wat
Van bovenaf ziet alles er nog hetzelfde uit
Vanbinnen broeit er iets
Het gaat over grenzen
Het gaat over politiek
De teerling wordt geworpen
De nacht valt radeloos over onze stad
Duizend en één
Ik kwam door de tuin;
jij wist dat ik zou komen
ik volgde door de schemering langs eeuwenoude bomen
het dichtbegroeide pad
Jij wachtte in je stoel
de tuindeuren als bladzijden wijd opengeslagen
het was alsof je in je eigen bundel zat
en toen je sprak dansten de woorden
als nachtvlinders rond het kaarsenlicht
hun tere vleugels openvouwend tot duizend en één gedicht
woorden zo jong, zo oud en ook zo pijnlijk mooi vertrouwd
Duizend en één is een ode aan Gouda’s eerste stadsdichter Inez Meter. Het gedicht is op een wand gekalligrafeerd in boekwinkel Verkaaik aan de Lange Tiendeweg
Tussen de schuifdeuren van de stad
Gooi je haar nu maar los
en stort je in de armen van de stad!
laat je inspireren en beleven
en zorgeloos zinken
in deze lange zaterdag
van een verloving
met adembenemende kleinkunstenaars
volg op blote voeten
hun verleidelijke pad
Omhels met zachte armen
dansende dichters
hartstochtelijke harpistes
en serieuze cellistes
Sluit heel even je ogen
laat je ontmoeten
ontroeren en ontvoeren
door jongens van de straat naar achter de kerk
Laat je genieten
tussen de schuifdeuren van de stad
op een zolder, een terras en in het zachte gras
of in een kamer en suite
en weet dan
hier komen zingende springende stadskinderen van
Over de brug
Ook wij zijn aan het moorden
Op zijn zachtst gezegd met woorden
eerst in het hoofd, vervolgens op twitter of erger
Kunnen we nog zijn als in een kindergeheim
Steentjes gooiend in het water
Geen verleden maar: als dan en: later
Ik aan jouw kant, jij aan die van mij
Woorden van haat er
drijven er steeds minder voorbij
En dan bouwen we samen een brug
Dan ben ik de pijler en jij
de sterke rug
En dan spelen we dat er hier
onder ons geen kloof zal zijn maar een rivier
En dat dan de nevel boven de rivier langzaam optrekt
En dat dan het water een helder inzicht opwekt
Helderder dan het water uit de diepste bron
En dat dan God, alle sterren, de maan en de zon
boven en onder onze brug
gewoon van ons samen zijn
En dan ben ik die duif van honderd pond
en dan land ik op jouw rug!
Groene Hart
Hier worden wij verwacht. Kwaal en klacht zijn niet aan tijd gebonden
ze ontstaan uit het onschuldige niets; vaak beginnend op de dag
en doorwoekerend in de nacht
Hier regeren de traagheid van minuten en de snelheid van het handelen
over het lijdzame wachten, de verborgen angst, de afgewende blik
Alleen een kind zal schreeuwend aan de arm van zijn moeder trekken
om haar naar buiten te dwingen. Het heeft gelijk
Het wil weten of de zon nog opkomt, de vogel nog vliegt, de bloesem nog valt
Dit is het Groene Hart van het leven, het helen, de geboorte
soms ook van het allerlaatste uur
van een warm bloedrood sijpelen op een koud smetteloos wit
van het stelpen en van het zorgzame toedekken
De dag breekt aan, de schoonmaker begint aan zijn taak
Hij zingt op het ritme van zijn bewegingen
Hij zingt en hij wist de angst van de nacht weg. Hij zingt en hij groet
Het betert, het klaart snel op
Lentegezicht
De stad toont ineens een ander gezicht
we komen voorzichtig uit de winterstand
we begroeten elkaar met een lach
en een traan, als na een lang weerzien
onze blik weer naar buiten gericht
De stad toont ineens een ander geluid
vogels kwinkeleren en fluiten hun verhalen
ze twitteren over korte broeken en rokjes
en blote voeten in sandalen
het carillon zet in met een lentelied
De stad geeft ineens een ander gevoel
de dagen dragen de belofte van het licht
stralend over bruggen, sloten en verlaten
de nieuwe dag voelt niet verplicht
maar als een geloof
om nu een nieuw venster te openen
Om nu te beginnen aan een nieuw gedicht
Het zou zomaar zomer kunnen worden
Hollandsche IJssel
Terwijl ik hier stroom en
de weilanden hierachter nog loeiend groen zijn
de sloten daartussen nog kwakend kroos zijn
de reiger op de dijk lijkt te twijfelen of hij zal dalen
Terwijl ik hier stroom en
de regen niet hoost, het water niet stijgt
de nacht toch verdwijnt, de zon alweer schijnt
de bodem niet verdrast of vermoerast
het veen niet inklinkt of oxideert tot wat het ooit was
Terwijl ik hier stroom en jij
aan een dis van zuurstof en klei,
je stadsgezicht weergaloos laat spiegelen in mij
je verwonderend over het komen en gaan van het tij
Terwijl ik hier stroom
langs natuurlijke oevers en Schielands hoge dijk
het hoogteverschil ongelijk maar toch in een evenwicht
als een weegschaal met aan weerszij het juiste gewicht
en het koud zorgvuldig wordt ingewisseld voor goud
daalt de reiger precies in dit ogenblik
Hollandssche IJssel is geschreven naar aanleiding van de zakkende grond en het versterken van de dijken in Gouda. Het is geschreven vanuit het perspectief van de IJssel.
Binnen stadsmuren
Er nestelt zich een denkbeeld in mijn hoofd
wij zijn een moederloos gezin en ieder gaat
zonder enig beraad zijn eigen gang
Het bad stroomt langzaam over want ik ben
de vollopende kuip weer straal vergeten
mijn zussen sussen zachtjes mijn geweten
en scheuren vlug het druipnatte behang
in lange stroken van de schimmelige muren
Een broer speelt argeloos in de achtertuin
klimt in de boomhut; de eik wordt echter met geweld
gegrepen in de volle kruin en bruusk geveld door vader
Die heeft aan kinderspel een broertje dood
De eerste scheur loopt als een gebarsten ader
-nog zonder erg- dwars door de gevel van ons huis
Een vallend boomdeel vermorzelt glas in lood
breekt ruw door het timpaan wij zien het lijdzaam aan
en zwijgen stom omwille van de buren
Behouden wij het recht om uit te dagen
kunnen we de buit nog vangen en verdelen
en kan het ons een ziertje schelen
dat iemand hier om iets of iemand anders geeft?
Een witte lelie bloeit behoedzaam binnen onze muren
Binnen stadsmuren: de Turfmarktkerk in Gouda is in ernstig verval geraakt. Sicut lilium inter spinas – als de lelie tussen de doornen – was de tekst in één van de gebrandschilderde ramen. De kerk staat op de nominatie om gesloopt te worden.
Stadsberichten
De woorden drijven stil door ’t verlaat
omgekeerd, gespiegeld
in een vreemdsoortig schrift
Een hond, staand op een boeg,
blaft staccato zijn vaarwel
tot hoog over de sluis
naar verderop
waar juist
de dichter gaat
en zwijgt dan in het Mallegat
De enorme sluisdeuren heffen zich
om beurten
In het kielzog
buitelen de woorden
plotseling uitzinnig mee
in de watermacht
en stromen langzaam verder
door de rivieren navelstreng
Ze komen pas bij zinnen
in het zicht van de zee
waar ontheemd
de dichter wacht
Gouda bij nacht
Van bovenaf ziet de stad er niet anders uit Nietsvermoedende mensen komend en gaand wie weet waarheen De Goudse contouren en grenzen onmiskenbaar herkenbaar Maar van binnen broeit er iets Het is nog licht. De avond valt voor het eerst weer helder en zacht Een enkel wolkje aan de lucht Een wethouder fietst eenzaam weg van het Huis van de Stad Iets grijpt ons dan naar de keel we weten niet wat Van bovenaf ziet alles er nog hetzelfde uit Van binnen broeit er iets Het gaat over grenzen Het gaat over politiek De teerling wordt geworpen De nacht valt radeloos over onze stad