Iets

Het liefste ben ik uit de tijd
loop ik op klompen
draag ik ruwe wol
heb ik die vormeloze vilthoed op
wat is dat toch met mij?

De handelaren in oud ijzer
weten precies waarvoor ze komen
behoud van energie
want niets verdwijnt uit dit heelal
en nooit komt er iets bij.

Wat er is, dat was er altijd al
materie, leven, pijn
toch, in het diepste
van mijn wezen voel ik
er schuilt iets nieuws in mij.

Grond

De grond die mij het plezier verschaft
van het simpele graafwerk
bergt de diepte waarnaar ik verlang.

Wortelstelsels, wormgangen,
weefsel van schimmeldraad, gitzwart en glimmer
in een groots verband.

Waar weerloos de salamander winterslaapt,
deze wereld trekt mij meer
dan de hemel zelf.

Buitengewoon

Sinds de algeest opdaagt in zijn gedachten
zie je dat de mensen hem ontwijken.
Ze zeggen dat hij gek is.
Niemand durft hem nog recht aan te kijken.
Hij kraamt wartaal uit, heet het
springt van de hak op de tak
op fantastische wijze
met de fijnmotoriek van de mier
via de uiterste, trage raderen van het universum
naar het einde.

Ze volgen hem niet.
Niemand raakt graag het spoor bijster.
De enkeling die het aandurft
met je vader mee in de waanraket op te stijgen,
totaal losraakt
en voor het eerst van zijn leven
de allesbegrijpende boog meebeschrijft,
die beseft opeens
hoe godvergeten beperkt normale mensen zijn.

De mierenmaker

Je wordt wakker vanwege gestommel beneden.
Dertien treden en je staat in de kamer.
Daar zitten je moeder, oom Niek en de buurman
te wachten op de dokter.
Er is weer gedonder met je vader.

Hij toont zijn bewakers het miertje
dat haastig over zijn hand loopt.
Hoe feilloos dat mechaniekje werkt
en wat een prestatie dat is van de maker.
‘Heb ik gemaakt’, spreekt hij ernstig.

Graafland de grondwerker

Hij is een grondwerker,
graaft met de spade
geulen voor kabels.
Dom werk dat hij ophemelt.
Hij verkondigt dat hij ertoe geroepen is,
niet voor niets Graafland heet
en dat het familiewapen
drie bergjes aarde verbeeldt.
Geeft hij hoog op,
hij geraakt aan de grond.

Meisje achter de kerk

Pas achter de kerk werd het wat stiller
Een paar duiven rommelden langs de rand
Ik trof er een meisje
Ze zat in haar eentje op de bank
te likken aan een ijsje
Ik groette haar
Zij groette mij opgewekt terug
Zit je daar vaker? vroeg ik toen maar
Mhmm, iedere vrijdag zei ze
Dit is mijn lievelingsplek

Ze hield haar blik constant op het poortje viel mij op
Voert het je naar vroeger terug? waagde ik
Misschien, antwoordde zij kort
En sierlijk onderschepte ze een kloddertje

Ik sprak een meisje op het Achter de kerk. Dit ontmoetinkje was zo kort en vanzelfsprekend dat ik de schoonheid ervan eerst over het hoofd zag. Later, toen het momentje mij weer voor de geest kwam, promoveerde ik het tot het maandgedicht van november 2010

Meidoorn bij de St-Jan

In stilte bewaren  
Oude muren en klinkers
De geheimen
Van het verleden

In een stille strijd
Van eeuwen
Ontwrong zich de meidoorn
Aan de knellende stenen

Het getergde hout
Reikt naar de hemel
Vindt rust bij de sterren
Die in witte bloesems spreken

Achteraf denk ik dat dit gedicht de jury een belangrijke aanzet gaf om mij tot nieuwe stadsdichter van Gouda te verkiezen. Het gedicht dateert dus van iets voor mijn stadsdichtersperiode.

Jongetje op het Bolwerk

Ik sta bij het Bolwerk te wachten voor rood
Komt naast mij een donker jongetje staan
Ik bekijk hem wat beter
Mijn oog valt op een witte pluk haar

Hee man, jij wordt al grijs, zeg ik spontaan
Hij kijkt mij aan met heldere ogen
Da's witte verf, reageert hij
We hebben de kamer geschilderd vandaag

Is het mooi geworden? vraag ik dan maar
Ja, want die muur is nu helemaal wit
En die andere zwart.
Zwart? Ja, dat je de televisie beter kan zien

Het licht springt op groen
En het jongetje schiet er vandoor

Op zijn kleine fiets met veel te laag zadel
Zie ik hem slingerend het kruispunt over gaan

Boodschappen in de stad doe ik met de fiets. Ik moet vaak langwachten voor de verkeerslichten op het kruispunt bij het Bolwerk. Ik kijk dan maar of er om mij heen iets te beleven valt.

Heldere nacht

De vollemaan verheft zich boven de stad
Wit maakt zich los van zwart
Tussen duister en licht
Worden scherpe grenzen getrokken vannacht

De Gouwe is een zilveren gracht
Zijn kade een met varens bedekt fundament
Voor de pilaren van de visbanken
Die in het maanlicht een tempel maken

Bij de aanblik van dit
Komt de onontwijkbare vraag op je af:

Waar sta  ik?

Het maandgedicht van december 2010 moest gaan over Gouda in midwintertijd, over Kerst en Sinterklaas vond ik. Ik vroeg me af hoe ik dat allemaal bij elkaar gedicht moest krijgen. Tot ik op een nacht wakker werd vanwege licht in mijn slaapkamer. Het bleek volle maan.